7.7 Verborgen devotie
Prins Kotchoubeys schilderij was een intieme voorstelling van een moeder met een ziek kind, getroost door een non. Het onderwerp was geïnspireerd op een passage uit de zendbrief van de apostel Jacobus: ‘En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden.’1 Weinig mensen zullen deze Bijbelse passage hebben herkend. Al eerder in zijn loopbaan, maar minder obscuur, gaf Kruseman zijn Italiaanse genrevoorstellingen een religieuze ondertoon, bijvoorbeeld door zijn figuren biddend af te beelden, maar ook door de aanwezigheid van religieuze attributen, zoals een kruis, rozenkrans of Heilig boek. Daarbij zijn de figuren, zoals in Godsvrucht (1823), Een Italiaans Meisje, biddende in slaap gevallen (1825) en De Legende (1827), in de buitenlucht gesitueerd en niet in kerken of kloosters [1]. Mogelijk probeerde de protestante Kruseman met deze keuzes, de in zijn ogen zuivere geloofsbeleving van de Italiaanse bevolking tot uiting te brengen.2
In zijn composities van moeder met kind blijkt een echo van werken van Italiaanse meesters zoals Rafaël met het thema Madonna met Kind [2]. Was dit onderwerp misschien een alternatief voor de religieuze voorstelling die Kruseman niet makkelijk kon afzetten? Voorbeelden van dit soort composities zijn Italiaanse voorstelling (1840) en de Gevangen vlinder (1845) [3-4]. Hoofdonderwerp is de vrouw in Italiaanse streekdracht, met het kind op schoot. Hoewel geen specifieke Renaissance-voorstelling valt aan te wijzen die als direct voorbeeld heeft gefunctioneerd, is het waarschijnlijk dat Krusemans kennis van deze werken samenkomt in zijn composities van moeder en kind. Kruseman was hierin trouwens niet de enige. Zijn goede vriend en kunstenaar Paul Delaroche (1797-1856) liet zich bij zijn onderwerp van moeders met kinderen ook graag door Rafaël inspireren [5].3

1
Cornelis Kruseman
De legende, 1827 gedateerd
Haarlem, Teylers Museum, inv./cat.nr. KS 014

2
Rafaël
Maria met kind, ca. 1505
Washington (D.C.), National Gallery of Art (Washington), inv./cat.nr. 1942.9.57

3
Cornelis Kruseman
Italiaans tafereel met moeder en kind, herder en visser, 1840 gedateerd
Den Haag, Cornelis Kruseman - J.M.C. Ising Stichting

4
Cornelis Kruseman
De gevangen vlinder, Albano, 1845 gedateerd
Den Haag, Kunstmuseum Den Haag, inv./cat.nr. 10-1938

5
Paul Delaroche
Moederliefde, 1843 gedateerd
Luxemburg, Villa Vauban - Musée d’Art de la Ville de Luxembourg, inv./cat.nr. 92
Misschien vanwege zijn protestantse achtergrond, gebruikte Kruseman zelden een monnik of non in zijn composities. Zo is Een jonge biddende vrouw, in costuum van Cerbara van omstreeks 1824-1825, een jonge vrouw met rozenkrans in de hand, geen non maar een leek [6]. Zij draagt over haar gewone kleding, afkomstig uit de omgeving van Cerbara, een lekenscapulier met een kruis. Leken droegen dit uit devotie onder de gewone kleren over de borst en rug.4 Hier toont Kruseman het over de gewone kleding, met omwille van de zichtbaarheid daarboven nog een hanger met een Grieks kruis.5
De kloosterling verschijnt maar drie keer in Krusemans oeuvre, namelijk in De Handkus (1842), in zijn Italiaanse volksgroep van vijf personen, uit Ischia en Procida (1842) en Het gebed des geloofs zal den kranken herstellen (1843) [7-8]. Volgens Gerard Brom, schrijver van Romantiek en Katholicisme in Nederland (1926), was de kloosterling geen favoriet onderwerp omdat Kruseman de kloosterlingen verfoeide.6 Deze hekel herleidde de onderzoeker uit de registratie door classicus en katholiek Laurens Reinhart Beijnen (1811-1897) van een gesprek tussen laatstgenoemde en de kunstenaar in de omgeving van Rome. Zo verhaalt Brom: ‘De schilder gaf geweldig op de kloosters af en zijn bewonderaar [Beijnen], nog diep onder de indruk van de kennismaking met een echt geestelik [sic] kloosterling, antwoordde hem kalmerend: “Vriendlief! alles is hier op dezen verrukkelijken avond in harmonie, uitgenomen uw Hollandsch protestantsch uitvaren tegen de kloosters.”’7

6
Cornelis Kruseman
Een jonge biddende vrouw, costuum van Cerbara, ca. 1824-1825
Amsterdam, particuliere collectie J.F. Elzer

7
Cornelis Kruseman
Een meisje de handkus toebrengende aan eene non der Heilige Theresia-orde, uit Napels, 1842 gedateerd
Private collection

8
Cornelis Kruseman
Een Italiaanse volksgroep van vijf personen uit Ischia en Procida, 1842 gedateerd
Leeds (West Yorkshire), particuliere collectie Hamer Stansfeld
Notes
1 Jacobus V:15: http://www.statenvertaling.net/bijbel/jako/5.html (geraadpleegd: 1 mei 2012).
2 Van belang is de symboliek in de Romantische literatuur van het Italiaanse landleven, als de nog eenzame vertegenwoordiger van de pure zeden uit de tijd van de klassieke oudheid: Gassier en Seylaz 1983 pp. 87-86; Adelaar, Roding en Tempel 2003 p. 49 ev; Coekelberghs, Jacobs en Loze 1999, p. 47 ev.; Collardeau 2000, pp. 72-73.
3 Paarlberg en Slechte 2013, p. 268.
4 Dit is een verkleinde vorm van het scapulier dat monniken over hun habijt dragen oorspronkelijk om de habijt te beschermen. Later werd dit een karakteristiek onderdeel van de monnikenkleding.
5 Dit werk toont zekere overeenkomsten met de Biddende Marias van de zeventiende-eeuwse Italiaanse meester Sassoferrato (1609-1685), werkzaam in Perugia, in de buurt van Cerbara, waar de streekdracht van de jonge dame vandaan komt.
6 Hoogleraar, schrijver, kunstcriticus en katholiek Josephus Albertus Alberdingk Thijm (1820-1889) probeerde voor Krusemans gebruik van een non in de Handkus opheldering te geven: ‘Daar zijn er, die meenen, dat Kruseman, in de non, eene ongelukkige, niet met haren stand verzoende geestelijke zuster heeft willen schetsen, die haar ongeluk met vernieuwde kracht gevoelt, nu het meisjen haar den hand kust – in dat geval zouden wij hem niet toejuichen: het is de plicht van den schilder en den dichter de verhevenste, de schoonste zijde van de godsdienst voor te stellen; maar wij meenen hem beter begrepen te hebben, door er de uitdrukking in te zien van de inwendige smart, die háár verteert, welke zich nog niet rein genoeg acht om den naam van hemelbruid te dragen, op het oogenblik dat zij de hulde ontvangt der gepersonifiëerde [sic] Onschuld.’: Brom 1926, p. 352.
7 Brom 1926, pp. 351-352.